Expertisecentrum Bloembollenteelt: Gericht sturen op de teelt van morgen
24 sep. 2026In het artikel Onderzoek dat richting vertelt Peter Klaver van het Expertisecentrum Bloembollenteelt over actuele onderzoeksthema’s en het belang van praktijkgerichte proeven. Om meer inzicht te krijgen in de inhoud, opzet en voortgang van deze onderzoeken bezochten we samen met projectleider Thijs Wester de proefvelden. In dit artikel vertelt hij over de proeven naar virusoverdracht, Botrytis, biostimulanten, onkruidbeheersing en stikstofefficiëntie.
Virusproef
Terwijl we door de proefvelden in Breezand lopen, waar de bloemen vrolijk kleuren in het zonlicht, vertelt Thijs dat het beperken van virusoverdracht in de praktijk steeds lastiger wordt en daarom een belangrijk onderzoeksthema is. Hij licht toe: “We weten dat minerale olie goed werkt tegen de overdracht van non-persistente virussen. Helaas zijn tulpen hier erg gevoelig voor. Daarom voeren we op onze proefvelden proeven uit met alternatieve oliën. Daarbij kijken we onder andere naar de omstandigheden, het toepassingsmoment en de gewasveiligheid. Vaak worden dit soort proeven gedaan met een ras en gewas dat extra gevoelig is voor virus.
Wanneer zo’n ras echter positief reageert op minerale olie, is het lastig om de resultaten één op één te vertalen naar de praktijk, waar andere rassen of gewassen mogelijk niet of minder goed tegen deze olie kunnen. Daarom hebben we op onze proefvelden meerdere cultivars geplant waarop we diverse oliën testen. We hopen zo de verschillen duidelijk zichtbaar te maken en een passende oplossing te vinden voor de beperking van virusoverdracht in de tulpenteelt.”
In het participatieonderzoek naar virusbeheersing worden producten en toepassingsmethoden van diverse fabrikanten getest, evenals de pilot van de luizenvluchtvoorspellingsmodule. “We zien dat het middelenpakket in de toekomst steeds kleiner wordt en dat ook het aantal toepassingsmomenten van toegestane middelen verder zal afnemen”, zegt Thijs. “Gelukkig zitten fabrikanten en ontwikkelaars niet stil en worden er nieuwe, duurzame middelen en methoden ontwikkeld. Deze leggen zij vaak bij ons in onderzoek voor onafhankelijke analyse en vergelijking. Om betrouwbare conclusies te kunnen trekken, is het belangrijk om proeven meerjarig uit te voeren. De laatste jaren zien we dat bepaalde gewasversterkende producten een licht positief effect hebben op de weerbaarheid van de plant tegen virussen. Ook toetsen we de luizenmonitor: een voorspellingsmodule dat op basis van actuele en historische meteorologische data de verwachte luizenvlucht voorspelt. Bij een lage luizendruk kan mogelijk worden volstaan met alleen de toepassing van biostimulanten, waardoor het gebruik van bijvoorbeeld pyrethroïden, oftewel synthetische insecticiden, kan worden gereduceerd. Zo kun je gerichter sturen op de inzet van de juiste middelen op het juiste moment.”
Vuurproef
Met maar liefst 24 objecten is de vuurproef behoorlijk omvangrijk. Hierin worden onder meer gewasversterkers, biostimulanten en de digitale Botrytis-voorspellingsmodule getest. “In de vuurproef ligt de focus op producten en spuitschema’s”, vertelt Thijs. “Waar dit vroeger hoofdzakelijk bestond uit het testen van allerlei fungiciden, zie je dat we ons nu steeds meer richten op biostimulanten, gewasversterkers en bladmeststoffen met een gewasversterkende eigenschap. Hierbij hanteren we bestaande schema’s, schema’s die waarschijnlijk in de toekomst de standaard zullen worden en schema’s met nieuwe producten. Zo kunnen we de effectiviteit per toepassing goed vergelijken. Om de proef wat meer onder druk te zetten, hebben we bewust een infectie aangebracht met besmet plantmateriaal van vorig jaar. Er zijn momenteel lichte symptomen van vuur zichtbaar, maar duidelijke verschillen tussen behandelingen zijn er nog niet. Dat komt mogelijk ook doordat op dit moment (ten tijde van schrijven) de infectiekans volgens de Botrytis-voorspellingsmodule laag is, een bevinding die past bij de huidige temperatuur en overige weersomstandigheden.”
Onkruidbestrijding
Achterin het veld liggen de proeven naar onkruidbeheersing. Interessant hierbij is de toepassing van mulch als alternatieve manier van onkruidbestrijding. Thijs vertelt hierover: “Mulch is een type houtvezel. Na het planten van de bloembollen brengen we dit als een dikke laag aan op het veld. Dit voorkomt dat er licht bij komt, waardoor onkruiden niet gaan kiemen. Momenteel testen we twee soorten mulch, waarbij de ene soort betere resultaten vertoont dan de andere; zelfs zonder aanvullende chemische onkruidbestrijding. We testen deze methode namelijk zowel met als zonder het gebruik van bodemherbiciden. Ook leggen we altijd een bed aan waar geen bollen worden geplant, waarop we vervolgens dezelfde behandeling toepassen als op het bed met bloembollen. Het effect van de onkruidbehandeling wordt dan nog beter zichtbaar.”
Bemestingsproeven
Met het oog op de strengere stikstofnormen onderzoekt het Expertisecentrum Bloembollenteelt hoe gewassen efficiënter met stikstof kunnen omgaan en of bepaalde producten daarbij kunnen helpen. Het blijkt een complex vraagstuk. Thijs legt uit: “Volgens de oude norm bedroeg de stikstofgift 190 kilo zuivere stikstof per hectare. Tegenwoordig is dat teruggebracht naar 152. Wanneer je geen stikstof toedient aan het gewas, zie je dit direct terug in de opbrengst. Bij een lagere gift van 110 kilo blijven de verschillen daarentegen beperkt, zo bleek vorig jaar uit onze proef waarin we 160 N met 110 N vergeleken. Dit maakt het moeilijker om het effect van aanvullende producten goed te meten. Toch zijn er zeker een aantal veelbelovende producten en noviteiten te noemen, zoals producten op basis van micro-organismen als een Bacillus: een stikstofbindende bacterie in meststoffen. Deze bacteriën binden stikstof uit de lucht en stellen die via de bodem beschikbaar aan de plant, waardoor minder externe stikstoftoevoer nodig is. Ook gaan we het effect onderzoeken van verschillende stikstofbehandelingen op een fijnere bolmaat en kijken we wat er gebeurt als we deze bollen het jaar erna opnieuw planten en behandelen. Mogelijk worden de verschillen dan groter.”
Dit artikel komt uit de Bol & Teelt 2026, uitgave 2.