In bloembollen hebben we te maken met verschillende virussen. De meeste virussen worden overgedragen door luizen. Doordat er in bloembollen veel stuks op een hectare staan, zijn er bij een laag percentage virus toch veel stuks aanwezig op een perceel. De grootste virusbron zit vaak in de partij zelf. Bij tulp is het proces van zaailing naar leverbare partij zo lang, dat het vrijwel onhaalbaar is om de partij virusvrij te houden. In de lelie- en callateelt zit dat net weer wat anders. Doordat hier gestart wordt met weefselkweek, is de partij in principe schoon. Zodra de partij buiten geteeld wordt, verandert dit. Het is dan zaak het gehalte virus zo lang mogelijk laag te houden zodat het ‘onder controle’ blijft.
De eerste stap tegen virusverspreiding
Hoewel virusvrij telen eerder een uitzondering is dan regel, is het belangrijk om de hoeveelheid virus binnen een partij zo veel mogelijk te beheersen. In tulp betekent dit dus zo vroeg mogelijk selecteren en de besmette planten verwijderen. Hoe lager de hoeveelheid virus binnen een partij, des te kleiner de kans op verspreiding is. Als het gaat om TVX in tulpen of PLAMV in lelies, is het zaak om zo min mogelijk mechanische verspreiding te veroorzaken. Tijdens het koppen van tulpen en rooien van de bollen ontstaat mechanische schade. Deze productbehandelingen zijn daarom een potentiële bron voor virusverspreiding. Werk daarom onder de juiste omstandigheden en zo hygiënisch mogelijk. Het koppen tijdens regen kan bijvoorbeeld voor extra verspreiding zorgen en ook het werken met een schone verwerkingslijn die minder beschadigt, helpt.