Gewasbescherming en Natura 2000
30 mei 2025De hoogste bestuursrechter, de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, deed in april de uitspraak dat voor het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen in beginsel een natuurvergunning nodig is. Die uitspraak ging over een perceel waar lelies werden geteeld. De uitspraak kan echter ook grote gevolgen hebben voor andere teelten waarbij gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt. Hoe zit dat eigenlijk met die vergunningplicht en wat kunnen de gevolgen zijn?
Europese natuurwetgeving
Op grond van de Europese Habitatrichtlijn is elke lidstaat verplicht gebieden aan te wijzen waar kenmerkende natuur beschermd wordt. Dat heeft Nederland gedaan door het aanwijzen van 162 Natura 2000-gebieden en het vertalen van die Europese richtlijnen in de Nederlandse Omgevingswet. Omdat er zoveel gebieden zijn aangewezen op een klein oppervlakte zijn er in Nederland geen plekken waar je geen rekening hoeft te houden met dat beschermingsregime voor Natura 2000-gebieden. Bescherming van die gebieden vindt plaats met een vergunningenstelsel. Alleen voor projecten waarvan zeker is dat ze geen effect hebben op de natuur in zo’n Natura 2000-gebied kan natuurvergunning worden verleend. Vergunningverlening is dus gebaseerd op het voorzorgsbeginsel.
De rechtszaak
De rechtszaak waarin uitspraak werd gedaan door de Raad van State draaide om een verzoek om handhaving. Milieudefensie vroeg de provincie Drenthe handhavend op te treden tegen een lelieteler. Milieudefensie is van mening dat niet is uitgesloten dat het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen in de lelieteelt een negatief effect veroorzaakt op die Natura 2000-gebieden en dat het telen van lelies daarom vergunningsplichtig is. Dat baseerden ze op eigen onderzoek waaruit blijkt dat in Natura 2000-gebieden allerlei soorten gewasbeschermingsmiddelen zijn aangetroffen. De provincie weigerde handhavend op te treden en daarop stelde milieudefensie beroep in wat nu is beslecht door de rechter.
De rechter is het eens met Milieudefensie dat het niet is uitgesloten dat het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen een negatief effect kan veroorzaken op Natura 2000-gebieden. De provincie verweerde zich door onder meer te stellen dat de afstand van de teelt tot Natura 2000-gebieden zodanig groot was dat geen effect kon optreden. De afstand bedroeg ca. 250 m. De Raad van State oordeelde echter dat die stellingname niet wetenschappelijk was onderbouwd en dat die daarom geen stand kon houden. Ook het feit dat het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Ctgb) de gebruikte gewasbeschermingsmiddelen had toegelaten, maakt het oordeel in deze zaak niet anders. De beoordeling die het Ctgb maakt bij de toelating van gewasbeschermingsmiddelen is namelijk een andere dan het college moet maken bij besluiten op grond van de Wet natuurbescherming. Vandaar dat de rechter tot de conclusie kwam dat de teelt van lelies in beginsel vergunningsplichtig is. Overigens oordeelde de rechter ook dat er geen sprake is van een acute bedreiging van de natuur. De provincie Drenthe mocht daarom een zogenaamde waarschuwingsbrief sturen in plaats van veel hardere handhavingsmaatregelen te nemen. In die waarschuwingsbrief vroeg de provincie de teler te bewijzen dat zijn teelt geen negatief effect veroorzaakt voor Natura 2000-gebieden.
De gevolgen van de uitspraak
Ondertussen doen milieugroeperingen op verschillende plekken in Nederland oproepen aan burgers om percelen waar teelt van bollen, lelies en siergewassen plaatsvindt te melden. Die meldingen worden gebruikt om verzoeken om handhaving bij provincies in te dienen. Er zijn verzoeken om handhaving voor honderden percelen ingediend. Met name in de provincie Drenthe liggen veel percelen onder vuur. Om die reden wordt de provincie Drenthe door veel andere provincies met meer dan gemiddelde belangstelling gevolgd. De wijze waarop Drenthe de problematiek aanpakt zal door veel andere provincies worden gevolgd.
Bij die verzoeken om handhaving ligt de focus nu nog op percelen waar bloembollen, lelies en siergewassen worden geteeld. Als bollenteler kun je de komende tijd dus zomaar te maken krijgen met zo’n ‘waarschuwingsbrief’ en een later stadium met handhaving door de provincie. Handhaving krijgt dan de vorm dat als er geen vergunning is verleend en toch gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt er een dwangsom (boete) wordt verbeurd. In het negatiefste scenario leidt dat er toe dat de teelt uiteindelijk onmogelijk wordt.
Wat kun je doen als bollenteler?
Het lijkt erop dat de discussie zich in eerste instantie gaat toespitsen op een aantal middelen die in de sierteelten worden gebruikt en die zijn aangetroffen in Natura 2000-gebieden. Telers die die middelen niet gebruiken blijven waarschijnlijk eerst buiten schot, omdat zal worden besloten niet handhavend op te treden. Zo’n besluit om niet handhavend op te treden is echter vatbaar voor bezwaar en beroep en zal hoogst waarschijnlijk door de milieugroeperingen aan de rechter worden voorgelegd. Het is daarom van groot belang om al bij de eerste waarschuwingsbrief van de provincie juridisch deskundigen in te schakelen die goed thuis zijn in de Natura 2000-wetgeving. Ook als de provincie besluit wel handhavend op te treden is het inschakelen van deskundigen in het vroegste stadium van belang.
Waar precies de oplossing ligt gaat de toekomst uitwijzen. In ieder geval is het van belang dat onderzoek wordt opgetuigd waarmee de vraag wordt beantwoord hoe gewasbeschermingsmiddelen zich in de omgeving verspreiden. Ook is het van belang dat onderzocht wordt wat het effect is van gewasbeschermingsmiddelen als ze dan toch in natuurgebieden worden aangetroffen. Met resultaten uit dergelijke onderzoeken kan mogelijk worden aangetoond dat met het gebruik van gewasbeschermings-middelen geen negatief effect wordt veroorzaakt. Ook zou onderzoek moeten plaatsvinden of het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen niet onder bestaand gebruik kan worden geschaard. Bij het opstellen van de Habitatrichtlijn is het nooit de bedoeling geweest bestaande toegestane activiteiten onmogelijk te maken. Dat lijkt nu via een omweg toch te gebeuren. Dat biedt juridisch mogelijk kansen om generieke regelingen te ontwerpen om te voorkomen dat elke gebruiker van gewasbeschermings-middelen vergunningen moet gaan aanvragen. In individuele gevallen waar het tot handhaving komt is dat argument wellicht ook te gebruiken om handhaving te voorkomen.
Samenwerken in plaats van procederen
Ook is het goed het gesprek open te houden met de milieugroeperingen die de procedures voeren. De stikstofdiscussie leert dat de juridische route lang niet altijd tot oplossingen leidt. Die stikstofproblematiek heeft zijn oorsprong in hetzelfde voorzorgsbeginsel waar deze discussie over gewasbeschermingsmiddelen over gaat. In het zwartste scenario worden teelten waarbij gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt onmogelijk in Nederland. Het gesprek aan gaan en zoeken naar een oplossingsrichting waar alle partijen zich in kunnen vinden, kan dan wel eens de juiste route blijken. Juist om dat zwarte scenario te voorkomen is actie op alle fronten nodig.
Heeft u hulp nodig of vragen met betrekking tot dit onderwerp?
Op deze pagina kunt u gemakkelijk contact met ons opnemen voor hulp of antwoord op vragen.